Contact
Logo Ons Buiten Foto madeliefjes

Alles werd anders

In mijn kindertijd was ik veel ‘op de tuin’, vooral in de weekenden en zomers. Na m’n veertiende kwam ik er minder; school en padvinderij vroegen al mijn tijd en aandacht. Toen ik er naderhand weer eens kwam, leek alles veel kleiner dan toen ik nog kind was. Als je een beetje doorstapt ben je in tien minuten aan de andere kant en op weg naar paviljoen Aquarius.

 

Ook was het voorste gedeelte van het complex, waar eertijds de hoofdingang was, korter geworden en aan het eind met een stuk uitgebreid, waarvoor menig huisje moest sneuvelen. Tegenwoordig is dat geen probleem, als je wat geld gespaard hebt, bestel je bij een bouwmarkt een kant-en-klaar tuinhuis, dat alleen nog in elkaar gesleuteld hoeft te worden.

 

Dat was vroeger anders. Natuurlijk waren er toen mooie, riante huisjes, compleet met serre, maar de meeste huisjes waren toch met noeste vlijt gebouwd met materialen die beschikbaar waren. Ons tuinhuis stond er al, toen mijn vader het in 1935 als verlovingsgeschenk van mijn oma kreeg. Het was niet groot; ik schat zo’n vier meter in het vierkant. Met aan de voorkant een veranda en aan de achterkant twee uitbouwsels als toilet en schuurtje. Het dak had een puntdak vier schuine kanten met een windwijzer op de punt.

 

Het gezin groeide en zolang de kleintjes nog niet naar school gingen, bivakkeerden we vanaf Pasen tot het eind van de zomer op de tuin. Vriendjes op de kade, waar we ’s winters woonden, dachten dat ik de hele zomer boven zat te lezen! De veranda werd bij het huis getrokken en aan de zijkant werd een stuk bijgebouwd. Daarvoor werden twee broeiramen op een houten muurtje gezet en de muurtjes werden bekleed met ergens gevonden betongaas. We deden toen al aan ‘recycling’, terwijl het woord als zodanig nog niet in gebruik was. Het geheel werd afgesmeerd met cement. Voor het maken van de cementen vloer werd een zwager uitgenodigd, die in de bouw werkte.

 

Ons Buiten

 

We kregen een echt keukentje met butagas en een aanrecht, echte slaapplaatsen en een binnen-WC met een echte WC-pot, als vervanger van de poepdoos met ijscodeksel aan de achterkant van het huis. De spoeling moest verricht worden met een scheut regenwater, die daarvoor opgevangen werd. Het huisje vroeg veel onderhoud, juist omdat de materialen her en der opgescharreld waren. Ik werd verplicht als oudste minstens een halve zondag te helpen. Met stukjes triplex en schoenspijkertjes (!) heb ik een binnenmuurtje in elkaar geknutseld.
Maar, we konden er met z’n achten slapen en logés op een ‘kermisbed’ waren ook nog welkom.

 

Het waren mooie tijden: in het houten clubhuis werden toneelstukken opgevoerd, dansavonden georganiseerd en aan het eind van de zomer exposities met bloemen en fruit.
Ik herinner me dat m’n vader vooral als danseur goed uit de verf kwam; verder hield hij zich rustig.

Op zwoele zomeravonden dwaalde ik naar het Nieuwe Meer en ging op een bankje langs het Jaagpad zitten. Het was erg stil, er werd toen nog niet gejogd en racefietsen zag je er ook niet, omdat het Jaagpad toen nog niet doorliep. In een romantische bui probeerde ik een gedicht te schrijven of een stukje proza, maar dat werd nooit wat ik er van verwachtte.

 

Mijn jongere broer Han en ik hebben nog wel eens geprobeerd geld te verdienen door bloemen te verkopen. Ik wist grote hoeveelheden gele lis te staan en Han vond dat we het beste naar de Stadionkade konden om deur aan deur de bloemen te koop aan te bieden. Maar toen we daar eenmaal waren, waren de bloemen verwelkt en niemand wilde ze van ons kopen.

 

Al met al ben ik de oprichters van het tuincomplex nog steeds dankbaar voor hun initiatieven en het is een blijvende herinnering dat de naam van Jan Vroegop, de stichter van de Bond van Volkstuinders (1917), vereeuwigd is in de naam van het centrale plein.

 

Ik heb een heel fijne jeugd gehad op Ons Buiten en denk er nog altijd met plezier aan terug. Jammer dat ik zo ver weg woon, anders zou ik er zó een eigen tuin willen hebben.

 

Jim Mönch (toen Co, geboren in 1936)


naar boven