Contact
Logo Ons Buiten Foto madeliefjes

Jongens in de veertiger jaren

Nu ik deze stukjes voor Ons Buiten schrijf, realiseer ik me hoeveel impact 'de tuin' heeft gehad op mijn leven. Alle vakanties en weekeinden brachten we op Ons Buiten door. Op school was ik de enige in de klas die zo lang buiten de stad verkeerde. De vriendjes op de kade waar we woonden dachten dat ik een 'kamerolifantje' was en altijd binnen zat te lezen. We hadden op Ons Buiten de vrijheid, we speelden eindeloos buiten met vriendjes. We gingen regelmatig slootje springen in de Riekerpolder en kwamen altijd smerig en te laat voor het eten thuis. Het was ook altijd mooi weer, het regende nooit.
We waren met een klein groepje van vier of vijf jongens.

 

Aanvankelijk hadden we een 'Vliegende Hollander' en later een autoped. Met die ene fiets, die één van de jongens had, leerden we fietsen op de Riekerweg. Hoe geweldig voelde je je als je op de bagagedrager staand, het vriendje op de pedalen aanmoedigde harder te rijden.
We hebben in de bosjes ook wel eens een meisje gevraagd zich uit te kleden omdat we wilden weten wat er ànders was aan een meisje.

Aan de Singel achter de Inkooploods was de vuilnisbelt met een verbrandingsoven. Daar kon iedereen z'n restafval kwijt. De verantwoordelijke stoker kwam er niet al te vaak, zodat de vuilnis zich ophoopte en ook buiten de oven in brand gestoken werd. Wij verzamelden daar hout en oude verf voor onze hutten en vlotten.
Fikkiestoken was ook een geliefde bezigheid, maar kattenkwaad haalden we nooit uit. Behalve misschien die enkele keer dat we in het tuinhuisje van een vriendje, waarvan de vader een drogisterij in de Bilderdijkstraat had, een pakje mentholsigaretten vonden. We hebben dat pakje met een paar vriendjes opgerookt; onze eerste rookervaring...

 

Ruzie kwam natuurlijk ook voor. Er werd met klompen en laarzen gegooid en als je onder een sterker vriendje, die je armen op de grond drukte, vandaan wilde, kon je dat alleen maar gedaan krijgen door een paar keer 'genade' te roepen. Daarmee voorkwam je dat je een 'kwat' in je gezicht kreeg.

Het was altijd lachen als we mensen zagen die zich anders gedroegen dan normaal, zoals die man die water bij de kraan kwam halen en aldoor z'n hoofd heen-en-weer bewoog. Heel veel later hoorden we dat meneer 'Schudhoofd' aan een vorm van de ziekte van Parkinson leed.

 

Jongens in de veertiger jaren Ons BuitenRegelmatig was het Nieuwe Meer het doel van onze bende. We liepen op blote voeten over de scherpe sintels. Je was heel trots dat je zogenaamd geen pijn had. Sintels zijn gebroken slakken uit kolenkachels, waarmee de paden verhard waren. In de oorlog hebben we nog wel gezien dat mensen stukjes kolen zochten tussen de sintels, om thuis iets te kunnen koken.

 

Tussen de Singel en het Jaagpad lagen de voetbalvelden en ik zou met vriendjes meegaan om te kijken of voetbal iets voor mij was. Maar ik merkte al gauw dat ik bang was een trap te krijgen met een voetbalschoen of een harde bal tegen m'n kop. Thuis vroeg ik of ik ook 'kicks' kon krijgen. M'n vader vond dat ik best op klompsloffen kon voetballen. Hij had op de zeevaartschool op blote voeten met Indische jongens gevoetbald. Maar ja, iedereen voetbalde daar op blote voeten… Ik merk dat het voetballen twee generaties heeft overgeslagen: mijn kleinkinderen zijn allebei enthousiaste voetballers. Ik heb er geen enkele belangstelling voor. Als ik 'kicks' gekregen had, was het misschien anders gelopen, wie weet…

 

Jim Mönch (toen Co, geboren in 1936)


naar boven